Ik vind parels, overal. Pak ze op en bekijk ze van alle kanten. Doop ze in een beetje inkt.
René schrijft verhalen, columns en gedichten

Bevrijdingsdag


Vlak over de grens stap ik uit de trein en loop ik naar de bushalte. In het bushokje hoest een verwilderde man druk om zich heen, zijn hond ligt te genieten in de zon. De man zoekt mijn blik.

'Hast du ein Taschentuch?'

Ik schud mijn hoofd. Evenals zojuist in de trein sla ik een sjaal rond mijn gezicht en stap ik de bus in. Het doek zit voor geen meter. De paar anderen in de bus ademen stoïcijns door hun masker. Op het fietspad zie ik drie wielrenners razendsnel van koppositie wisselen. Een geoliede machine. Ze dragen feloranje tenues. Op hun dijbenen lees ik 'De vier musketiers'. Ik lach in mezelf. Hebben ze een schema dat er steeds een ander thuis moet blijven? Het verhaal schrijft zichzelf.

Als ik uitstap meteen die sjaal af. Zuurstof. Wat kan twintig minuten in een bus lang duren. Ik begroet de vriend die ik een eeuwigheid niet heb gezien. Hij begint meteen druk te vertellen:

'Je weet toch dat ik tijdens de uitbraak nog in Madeira zat? Nou, eerst kwam het door de Chinezen, toen door de Duitsers, toen door de Hollanders en toen zelfs door de Spanjaarden. En dat allemaal binnen een paar dagen.'

'We halen even wat te eten bij Kaufland.'

Ik denk, shit, weer die sjaal om en wijs naar een etalagepop met mondkapje op. Hij stoot me aan en groet spontaan twee jonge meiden met allebei een grote zwarte stoflap voor. Dan zie ik het. De linker heeft groot Pink Floyd op haar rug staan. Hoe is het mogelijk? Als vanzelf begin ik te zingen:

'We don't need no thought control.'

In de supermarkt heb ik medelijden met de caissière. Vraag haar of het een beetje te doen is, werken met een kapje.

'Muss ja.'

Ik zucht. Als ze met een arm op haar rug moest werken, zou ze het waarschijnlijk ook doen.

De vrouw van de vriend ziet ons al van verre aankomen. Uitbundig roept ze dat dit echt veel te lang geleden is. Ouderwets gaan we samen aan de slag in de keuken. Ze vertelt:

'Die eerste weken, de schappen van het toiletpapier en de pasta's. Helemaal leeg. Het gaat om gezondheid, nota bene. Ik maakte me geen zorgen. Citroenen waren er altijd!'

Na de eerste asperges van het jaar maken de vriend en ik een vuurtje in de tuin. Hij pakt de gitaar.
We zingen mantra's. Het knappend vuur. De geur. Het zuchtje wind. Er komen steeds meer vogels de tuin in. Ik uit me:

'Toch nog een verlaat paasvuur. Ongelooflijk dat zoiets heilzaams niet door mocht gaan.'

De vriend zet me op de trein. Ik pak mijn telefoon. Een vriendin heeft een serie foto's naar me gestuurd met Afro-Amerikanen die ons land bevrijd hebben. Compleet verzwegen in onze geschiedenisboeken.

Op het perron trek ik weer meteen de sjaal van mijn gezicht. Er staan twee mannen van de Marechaussee op ons te wachten. Als ik bijna bij hen ben, zie ik ze druk in gesprek met een getinte man uit mijn trein. Ik zie de man zijn hele tas overhoop halen. Stamelt wat woorden. En ik, de witte man, mag zonder problemen doorlopen.

Ik fiets naar huis. Zie her en der het rood-wit-blauw aan de gevels.




07-05-2020