Ik vind parels, overal. Pak ze op en bekijk ze van alle kanten. Doop ze in een beetje inkt.
René schrijft verhalen, columns en gedichten

Dodentocht 2


De avond voor onze tweede Dodentocht (100 kilometer wandelen binnen 24 uur) pakken we een biertje in een Bornems café. De Rodenbach blijkt niet te pruimen, we bestellen snel een Tripel Hop om het weg te spoelen.

´Rodenbach, dat is bier voor toeristen,´ roepen de mensen om ons heen.

Ik vraag naar het verdwijnen van de grote rust bij Palm, op de helft van de tocht.

‘Overgenomen door de Hollanders. Ze hebben zich teruggetrokken als sponsor’.

Gedachten gaan terug naar twee jaar geleden, wandelaars die een tukkie doen tussen pallets met kratten, borden spaghetti , Palm op de tap, een feestje. Dit jaar moeten we het doen met een sporthal. Mijn maatje en ik zijn uit hetzelfde hout, we vinden het nu al niks.

Net als ik de Belgen vertel dat ik toen huilend over de finish kwam, zet de homoseksuele ober de glazen neer. Priemt zijn vinger in zijn smalle borstkas en lacht:

‘Als ge dit jaar weer weent, kom dan bij mij'.

Uitgerust staan we de volgende avond aan de start. Het lange wachten. Een man vertelt ons dat hij zijn pensioen anders had voorgesteld. Hoe hij plots de zorg kreeg over zijn zieke vrouw. Noemt zichzelf een halve weduwnaar. Wildvreemden vertellen elkaar nu eenmaal alles. Je staat er niet bij stil wat sommigen moeten regelen om simpelweg hier te mogen staan. Een dagje weg uit het leed om weer volledig thuis te kunnen zijn.

De avond is grauw. Het regent in de nacht. Gezien je deze tocht ook mag hardlopen, zien we continu mannen en vrouwen over de straten zigzaggen. Dunne regenjassen over zwaarbepakte rugzakken. Ze rennen als dwarrelende vuilniszakken.

Gelukkig zit de Duvel nog wel in de route. We delen een beker van het sterke bier, rond drie uur in de nacht. Tussen de veertig en vijftig kilometer krijgt mijn maatje het zwaar. Hij gaat dood, zoals hij het zelf noemt. Ik maak me geen zorgen, het is een fase.

Doorweekt lopen we door niemandsland. Hier geen sporthal, dat is zeker. Het zijn lange kilometers. Wanneer de hal eindelijk opdoemt, zijn we de Palm even vergeten. In doodse stilte zitten vermoeide koppen pasta weg te stouwen. Serveersters met hun beste horecalach. Er is geen mespuntje liefde in het eten te bespeuren. Het complex is de verplichte receptie waar je niet onderuit kunt.

Rond de tachtig kilometer ga ik dood. Bij het Rode kruis vraag ik om zalf.

‘Wat voor zalf?’

Ik wijs naar mijn achterste.

De man verdwijnt en komt terug met een closetje zalf.

‘Ga je het zelf doen, of moeten wij dat doen?’

‘Dat kan ik jullie niet aandoen!’

‘Voor ons zijn alle lichaamsdelen gelijk’.

‘Dat kan ik jullie niet aandoen!’

Ik ga ermee aan de slag. Tot mijn verbazing wordt de pijn als ik loop erger. Ik word naar in mijn hoofd. Voor me duwt een man met een kunstbeen zijn rolstoel. Hij is compleet afgetraind. Achter me schreeuwen wandelaars dat ze vóór hem ruimte moeten maken. Tranen schieten in mijn ogen. Waarom raakt me dit zo? Of zitten er kruiden met bijwerkingen in de zalf?

De pijn brandt. Ik begin tegen iedereen aan te zwammen. Een Belg verklaart dat je door het afwisselend wandelen en joggen twee verschillende spiergroepen belast. Samen met zijn kameraad heeft hij al 35 kilometer hardgelopen. Maar joggen is nu te pijnlijk. Ons gesprek sleept me er kilometers doorheen. Dan zie ik dat hij een sportbroek draagt van het bedrijf waar ik sinds kort werk. Een collega. Een teken. Dit is mijn weg.

Traag ga ik over de lange dijk. Blijf tegen iedereen praten. Mijn maatje uit mijn zicht verdwenen. Wonder boven wonder voel ik me de laatste vijf kilometer herboren. Ik zet een eindsprint in. Wat een verschil met twee jaar geleden. Het lijkt of iedereen stilstaat. Euforisch loop ik door de straten van Bornem. Na de finish heb ik nog energie over.

De man die in de tent naast ons zit, heeft zojuist voor de 103e keer een honderd gelopen, waarvan 45 keer hier. Het Rode Kruis rent naar de finish omdat er iemand in elkaar is gezakt.

De vrouw, die net als twee jaar terug vervoer voor ons regelt, beloven we een standbeeld.

‘Geen gewoonte van maken, hè?’

In ons huisje trek ik meteen alle kleren van mijn lijf, doe de tuindeur open en spring het zwembad in. De volgende ochtend zie ik een halfvol glas Duvel op mijn nachtkastje staan. Ik heb het blijkbaar niet gered. Door het raam zie ik een man met een schepnet door het zwembad gaan. Ik voel aan mijn billen.

28-08-2017